Twaalf uur
 Toen ze allebei hun drijfnatte laarzen hadden uitgetrokken en bij het vuur hadden plaatsgenomen zei de Prins van Assepoester tegen de Prins van Doornroosje: "Niet om het een of ander, en er zijn legio mensen te bedenken met een nog beroerdere levensgeschiedenis, maar de sprookjes waar wij in terecht zijn gekomen, jij en ik, die tonen de wereld altijd en eeuwig door de ogen van een vrouw, is jou dat niet opgevallen ... ?"
Hij hield zijn handen voor de vlammen en wreef ze toen een tijdje tegen elkaar alsof hij ze waste met warmte. "Het is ook altijd een Moeder die ze vertelt, en bovendien een Gans. Alle macht is aan de vrouw in onze sprookjes: moeders, stiefmoeders, heksen, feeen, een koningin, een prinses.. maar de man ? De man is een dwerg, een kikker, een reus... Een gedrocht, in elk geval. Of: een geslachtloze prins. Een zacht ei, maar rijk en met een kroontje.."
"HALLO!!!" klonk het uit de hoek van de donkere kasteelzaal waar een man achter een tafel zat te schrijven. "Kan het daar misschien wat zachter ?!" Maar de twee prinsen hoorden het niet. "Het is een hoop getob, inderdaad," zuchtte de Prins van Doornroosje. Hij maakte een vermoeide, melancholieke indruk en zag er helemaal niet naar uit of hij een meisje dat al honderd jaar sliep wakker kon kussen. Hij zat er krachteloos bij en rilde alsof hij had kou gevat. Met een pijnlijk gezicht bekeek hij zijn handen die vol zaten met dorens. Zijn vriend tegenover hem keek mee en zei: "Maar hou daar toch ook eens mee op! Waar ben je nou al die tijd mee bezig, omgekeerde slaaptablet! Je denkt toch niet echt dat je zo goed kan kussen dat je Doornroosje wakker krijgt ? Niet zolang die Boze Fee haar slapend houdt. Weer een vrouw, trouwens... " Hij zweeg en staarde moedeloos in het vuur. "Hmm," zei de ander stoer en kwam enigszins overeind, "ik ben nog niet zo slecht!" Hij voelde aan zijn mond maar kreeg een paar stekels in zijn lip. "Ik ben nog niet zo slecht", echode de Prins van Assepoester smalend. "Alsof dat er iets mee te maken heeft ! Zal ik jou eens vertellen hoe het gaat... ?"
Op deze woorden draaide de schrijvende gestalte in de hoek zich om en hoorde verstoord toe. "Het gaat zo," ging de prins van Assepoester verder. "Over een dag of wat lopen die honderd jaar af. De doornenhaag verdwijnt, je kan zo doorlopen, je komt in het kasteel, je komt in haar slaapkamer, aan haar bed, Doornroosje slaat haar onmetelijk blauwe ogen op, ziet jou staan en... is verkocht. Ken jij 1 meisje dat honderd jaar geslapen heeft en niet verliefd wordt op de eerste de beste man die ze ziet? Dan is de grootste idioot nog een prins!"
Dat hoefde de Prins van Doornroosje natuurlijk niet te nemen. "Idioot, Idioot?!" riep hij met pijnlijke mond "en dat zeg jij: voetzoeker, hielenlikker, damesschoenenruiker, hakkenbar! Heb jij weleens naar je eigen gekeken?" "JeZELF!" riep een stem uit de hoek, maar de Prins van Doornroosje schold nu zo hard dat hij het niet hoorde. "Nee, jij hebt het geschoten! Jij hebt het getroffen met die trut-op-wielen! Als je alleen maar niet denkt dat jouw Assepoes ooit met je zal dansen! Dat kan je wel schudden. Want zelfs als het schoentje haar past, zal ze het niet aantrekken. Dat muiltje was maar een middel, hoor je? Lokmiddel. Het enige dat ze wil, is gedragen worden. Door jou, Prins Pantoffelheld!"
Maar NU vond de schrijver achter de tafel het genoeg. Hij stond op, terwijl de stoel achter hem omklapte, stoof naar het haardvuur, wees met gebiedende vinger naar de twee bekvechtende prinsen en siste: "Zwijg, jullie futteloos gebroed! Knuppelgeschut! Rimmetiek in plaats van romantiek! Ik Jacob Grimm, ben de baas over jullie leven! Ik maak wel uit wat er gebeurt! En luister goed, want de inkt is al droog, jullie lot is op papier gezet: jij gaat naar het bal. En jij naar Doornroosjes bed!" En ze gingen. Gehoorzaam stonden de prinsen op, trokken hun drijfnatte laarzen weer aan, gaven elkaar zwijgend geen hand en verdwenen in de duistere sprookjesnacht.
|